EMMAÜS (2026-2)

Velen van u weten dat de Emmaüsgangers al een aantal jaren in mijn leven mijn favoriete begeleiders zijn als het erom gaat hoe ik me voorstel dat God met mij gaat. Ik denk dat ik daar niet zo uniek in ben; het is immers een zeer bekend verhaal, klein en huiselijk eigenlijk en daarom juist zo goed in het eigen geloof te integreren.

Voor mij is beeldspraak – beelden überhaupt eigenlijk – altijd heel belangrijk geweest. Het is dit verhaal uit Lucas waar ons huidige tekstgedeelte uit voortkomt.
Wij leven nu in een wereld waarin geloven niet meer vanzelfsprekend is. Op zondag zitten we in de kerk en zien naast ons regelmatig ook lege stoelen of banken.

Dat geeft regelmatig geen goed gevoel, zeker niet bij mij als voorganger; ik zie die open plekken namelijk ook. En soms voor mijn geestelijk oog ook degene die daar heeft gezeten – en geen opvolger heeft gevonden. Deze situatie maakt ons in de kerken erg onzeker.

Wat doen we toch verkeerd?
Waar blijft iedereen?
En wat doet God nou eigenlijk om iedereen erbij te halen?

De twee naamloze mannen die onderweg zijn van Jeruzalem naar het kleine plaatsje Emmaüs hebben schokkende ervaringen meegemaakt.

Ze hadden hun oude leven opgegeven en waren met Jezus meegegaan, meegegaan naar een ongewisse toekomst. Zijn uitleg van Gods Woord had hen gegrepen – ze konden gewoon niet anders dan erop vertrouwen en met hem meegaan. In sommige van de roepingsverhalen is dat indrukwekkend beschreven: Simon Petrus die de vissersnetten verlaat, Mattheüs die hoewel tollenaar toch met Jezus meegaat en meer van die verhalen. Mensen hadden alles opgegeven om met Jezus mee te kunnen trekken; hun families zaten daar niet juichend op te wachten. In het gunstigste geval zou hoon en spot hun deel zijn… In Jeruzalem leek het verhaal van Jezus namelijk ten einde te zijn. Hij was gedood, Hij was begraven – en nu was zijn graf leeg. De vrouwen zeiden weliswaar dat ze een “verrezen Christus” hadden gezien – maar ja de vrouwen dus – en eerlijk gezegd: De “verrezen Christus” – laat me niet lachen, waar slaat dat nou op? De Emmaüsgangers zien het niet meer. Dat waar zij zo enthousiast voor waren geweest, de boodschap van bevrijding en verandering die Jezus had uitgedragen – het leek allemaal ten einde. Heel therapeutisch dat zij dat nou aan die vreemdeling hadden kunnen uitleggen. Maar het toonde natuurlijk ook maar weer eens dat het allemaal niet veel had voorgesteld.

Terwijl de twee wandelaars naar Emmaüs dachten dat nou werkelijk iedereen – echt iedereen – van Jezus en zijn einde gehoord had bleek nu maar weer eens dat er in Jeruzalem kennelijk ook mensen waren die écht nergens van wisten. Dat relativeert ook weer een hoop.

De onbekende legt aan hen uit over de Schriften en de profeten – en toch merken zij niets.

En dan wordt het laat en als zij bij het huis van één van hen aankomen zegt hij:

Blijf bij ons,want het is bijna avond en de dag loopt ten einde.

Dat is een gewone uitnodiging – enerzijds. Maar het zegt ook: We hebben graag naar je geluisterd, het gaf ons vertrouwen in deze moeilijke tijd, blijf toch bij ons en help ons verder in ons zoeken.

Toen hij met hen aan tafel aanlag, nam hij het brood, sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun. Nu werden hun ogen geopend en herkenden ze hem.

Ik heb er voor mezelf uit geleerd dat we God kunnen ervaren op momenten dat we met elkaar delen, ook en juist op momenten dat we dat niet of niet meer verwachten. En het zijn dan niet zozeer de woorden – want toen Jezus die Schrift aan hen uitlegde herkenden ze hem niet maar werd wel het vuur van de begeerte in hun wakker – het is het gebaar van het delen, van het werkelijke ervaren van de aanwezigheid van iemand anders dat je de Ander – die met de hoofdletter – ineens ook in je nabijheid kunt voelen.

God komt dus tot ons niet in een grote massa – al moet je dat natuurlijk ook niet uitsluiten – maar juist in de kleine groep waar twee of drie met elkaar zijn.

Dat is heerlijk om te ervaren.

Daar schuilt natuurlijk ook een gevaar in.

Kerk zijn heeft de tijd niet mee. Niet overal wordt je met gejuich onthaalt als je met beroep op Gods Woord een commentaar op maatschappelijke ontwikkelingen hebt. Al gauw ben je dan weer die oude zeur die iedereen het plezier wil bederven nu je eindelijk eens ook op zondagochtend kunt gaan winkelen 😊. Dan is het natuurlijk makkelijk te denken: laat ons maar lekker bij elkaar kruipen en eindeloos erover praten hoe heerlijk het vroeger toch was toen de kerk nog vol was. Dat is verstikkend op den duur – je gaat er letterlijk dood aan.

En we lezen er ook nergens in de Bijbel over dat dat aanbevolen zou zijn. Blijf maar lekker met de uwen zitten en sluit je af voor de wereld – ik heb dat Schriftwoord nog nergens gelezen.

En ook de Emmaüsgangers zijn niet zo. Terwijl het ze zeer tegenzit – om het voorzichtig te zeggen – gaan ze toch de veiligheid van hun groep verlaten en zijn onderweg. Ze praten zelfs met vreemdelingen over wat hen bezig houdt. Ze zijn dus zeker niet de gesloten kerk.

Maar ze ervaren ook: al zijn we maar met z’n drieën nu hier aan tafel – God is bij ons. Bij Lucas in de meest letterlijke zin. Hij doet het daadwerkelijk. God is niet ver – Hij komt naar je toe.

Voor mij is het verhaal van de Emmaüsgangers daarom zeer troostrijk. Het laat zien dat God nabij kan zijn ook al ben je maar in een klein clubje.

Als je je openstelt en luistert, als je ook met een aardige onbekende eens aan tafel gaat zitten. Als je dankt en deelt, dan kun je ervaren dat God met ons gaat.

En dat kun je niet vasthouden en als bezit in je kast zetten.

Jezus onttrekt zich gelijk weer aan zijn discipelen zo horen we, geen vragen, geen uitleg – weg is hij.

Maar de leerlingen hebben hem ervaren en daarvan zijn ze zo vol dat ze meteen naar hun mensen in Jeruzalem terugkeren om hen in die vreugde te laten delen.
Ze weten nu dat Jezus met hen gaat – altijd – en dat ze hem kunnen ervaren bij het breken van het brood.
En door deze ervaring wordt je bemoedigd. Elke dag weer opnieuw.
En dat is nodig te midden het alledaagse leven met zijn vele keuzes en vragen.

Het is daarom goed dat we straks ook als mensen uit verschillende kerken bij elkaar weer het brood breken – om Gods nabijheid te kunnen ervaren en elkaar te bemoedigen in ons getuigenis, in ons doen en in ons spreken over Gods bevrijdende woord.

En als ik dan weer eens twijfel dan kijk ik omhoog naar de Emmaüsgangers en denk:
Ja – dat is het, daar gaat het om.

Robert Frede, pastoor