Er zijn nogal wat mensen die er moeite mee hebben iets te moeten vrágen. Sommigen schamen zich ervoor bij iemand aan te kloppen.
Dat is misschien omdat je, als je iets moet vragen, eigenlijk laat zien dat je hulpbehoevend bent.
Dan klinkt het wel heel anders wanneer Jezus zijn leerlingen leert bidden. Hij moedigt hen aan te vrágen, ook aan God!
Dat doen wij dan ook heel dikwijls.
Al de kleine en grote zorgen van ieder moment vullen ons gebed en maken het vaak tot een heel lange vragenlijst. We kunnen immers alle noden en gebeurtenissen van het leven aan God voorleggen, van de grootste tot de meest onbeduidende.
Als je bidt, laat je je leven door je heen gaan. Of het nu je dagelijks werk is of gewoon een kiespijn die je een rothumeur bezorgt, of je kind dat huilt…, er is niets in de wereld waarover je niet kan bidden.
Zo bidden we dan ook vaak om iets te vragen. Dat is de doodgewoonste zaak van de wereld.
Maar heeft het eigenlijk wel zin iets aan God te vragen?
We hebben er moeite mee dat Jezus zegt: Vraag en er zal je gegeven worden…, want we hebben al zo vaak iets aan God gevraagd en het níet verkregen…
Iedereen is het er wel over eens dat we in ons gebed niet zomaar alles kunnen vragen. We kunnen nooit vragen dat iemand iets sléchts overkomt. Of je kan toch niet vragen te slagen in een examen waarvoor je niet hebt gestudeerd.
Maar waar ligt de grens tussen dingen die je kan vragen en dingen die je níet moet vragen? Kun je dan bidden voor een examen dat je wél hebt gestudeerd? Mogen we bidden om een genezing van een ziek kind? Mogen we eten vragen voor de duizenden mensen die omkomen van honger?
Op welke vraag zal God ingaan, welk gebed zal hij verhoren?
Grijpt hij wel in?
En hóe?
Dit zijn moeilijke vragen. En ze zijn moeilijk, omdat we er eigenlijk met ons verstand niet bij kunnen. Meestal zien we niet eens hoe discreet God alles in ons leven ten goede leidt.
God blijft verborgen werkzaam. Of God en hoé God ons gebed verhoort, is en blijft een heel groot mysterie. Wat we toch met zekerheid kunnen zeggen is dat we met ons bidden niet moeten proberen God over te halen of te overtuigen, en ook niet moeten proberen hem gunstig te stemmen of hem langs onze kant te krijgen.
Waarom niet?
Om de eenvoudige reden dat God al aan onze kant staat. Daarom leert Jezus ons ánders te bidden.
Hij wil dat wij tot God bidden zoals een kind zich tot zijn vader richt. Ik neem aan dat elke vader het goed vindt, dat zijn kind met zijn zorgen naar hem komt.
Zo is ons bidden niets anders dan God teken doen dat we geloven dat hij een al Liefde is; en we vragen: God, laat in de wereld uw Liefde gebeuren; laat uw naam geheiligd worden en laat uw koninkrijk komen, dankzij mensen die in liefde met elkaar omgaan en streven naar gerechtigheid; dat er wereldwijd voedsel is voor iedereen en niemand meer van honger omkomt. Kortom, laat uw Liefde aan iedereen gebeuren, in grote en kleine dingen.
Ons bidden is dan niets anders dan heel intens beleven dat God heel dichtbij is als een God-die-Liefde is. Al onze concrete vragen zijn dan een teken van ons vertrouwen dat God ons bemint en dat hij niets liever wil dan dat wij geníeten van zijn Liefde.
Wij vragen dat er mag gebeuren wat God vurig wil. En wat God zo vurig wil, is niets anders dan dat het iedereen van ons op alle gebied góed gaat; met andere woorden, dat wij zijn liefde in heel ons leven aan den lijve ervaren.
Maar dan nog is ons gebed geen oplossing voor al onze noden en problemen. Het kan zelfs niet beletten dat ons leven getekend wordt door mislukking, tegenspoed en lijden.
Dan wordt ons bidden een roepen en wenen om alles wat toch gebeurt met wie ons lief is en met zoveel weerloze mensen.
Dat heeft Jezus zelf ondervonden. Hij weet wat lijden is. En dan blijkt dat God – juist omdat hij Liefde is en geen supermacht – wel heel veel liefde voor ons koestert maar tegelijk vaak heel machteloos in deze wereld staat. Want het kwaad is alom aanwezig.
En God wil het kwaad niet bagatelliseren. Meer nog, hij wil het kwaad bestraffen.
In een bekend verhaal uit het Oude Testament wil God Sodom en Gomorra van de kaart vegen. Maar is het plan van God om de stad te verwoesten wel rechtvaardig? En heb je het kwaad opgelost wanneer schuldigen en onschuldigen over één kam worden geschoren?
Hardnekkig vasthouden aan het goede kan averechts werken en omslaan in het tegendeel. Rechtvaardigheid kan zo fanatiek nagestreefd worden, dat ze haar doel voorbijschiet; en dan is het niet meer rechtvaardig wat je doet. Vandaar dat de tussenkomst van Abraham uitmondt in een smeekgebed, niet voor zichzelf, maar voor anderen.
Zijn gebed is dan een uitmuntend teken van solidariteit en medeleven. Zo zou Jezus het hem en óns geleerd kunnen hebben.
Robert Frede, pastoor
