Pinksteren

Als je zo maar denkt aan het wonderlijke en spannende Pinksterverhaal, dan lijkt het op het eerste gezicht toch wel wat ver van ons af te staan. Het is nu niet bepaald iets waar wij vertrouwd mee zijn: vurige tongen en mensen die ineens allemaal hun eigen taal horen spreken.

Maar we hoeven niet te blijven steken bij de buitenkant van zo’n verhaal. Het gaat om de verborgen binnenkant ervan. Al die imposante en buitengewone gebeurtenissen mogen en moeten we wellicht verstaan als symbooltaal. Als een teken voor iets dat zich aandient in ons eigen leven.

Lucas geeft ons hier geen historisch verslag maar hij brengt iets van zijn geloofsvisie onder woorden. Heel duidelijk doet hij dat o.a. doordat hij het gebeuren laat

plaatsvinden op de vijftigste dag. Door die aanduiding legt hij heel nadrukkelijk een verband met het Wekenfeest, dat door de joden zeven volle weken na hun Pasen gevierd wordt.

Op dat Wekenfeest wordt niet alleen gedankt voor de oogst, maar ook wordt herdacht dat Israël bij de berg Sinaï de Thora had ontvangen, samengevat in de Tien Woorden. Dat grootse gebeuren bij Sinaï was de voltooiing en bekroning van wat ze in de Paasnacht hadden meegemaakt: de uittocht uit Egypte.

Ook voor ons is Pinksteren de bekroning van Pasen.

We vieren niet een voldongen feit van twintig eeuwen geleden, maar iets dat nog steeds gebeurt. 

Zoals we zingen in een van onze liederen: Wat altijd is geweest, het waaien van de Geest, gebeurt aan ons vandaag.

Met de term Heilige Geest brengt de bijbel tot uitdrukking, dat de onuitsprekelijke God steeds weer opnieuw werkt in mensen en daardoor in de geschiedenis.

Iets van heilige geestkracht, spirit, inspiratie. In mensen. Die Geest is dus niet heel hoog en breed van ons vandaan.

Heilige spirit, heilige vitaliteit zoek die niet te ver van huis. Want het gaat ook

om iets in onszelf. 

Hij zal bij jullie zijn en in jullie (Joh. 14,17). 

Die Geest is bij ons als een innerlijke kracht om het uit te houden temidden van zoveel waar we geen raad mee weten.

Diep in onszelf: onder al onze remmingen en onzekerheden, schuilt een innerlijke kern, iets in ons dat bron is, niet troebel, iets heel goeds. Dat te mogen geloven is belangrijker dan te weten dat we tekorten hebben. Zoek het niet te ver van huis. Want je zou je kunnen afvragen: waar hebben wij dat van, dat we liever toegankelijk zijn dan onverschillig, liever aanspreekbaar dan zelfverzekerd?

Waar hebben we dat van, dat we liever niet leven met een hart van steen, maar

dat we ons voelen aangetrokken door die vorm van menszijn die ons in het evangelie wordt aangereikt?

Waar hebben mensen dat van, dat ze ondanks alle bittere teleurstellingen toch niet verbitteren? Dat komt voor.

Dat ze ondanks alle donkere kanten toch blijven zoeken naar het licht?

Is dat een constante weigering om rebel te zijn, of is dat iets anders? Mag je daarin iets herkennen van wat er bedoeld wordt met heilige Geest?

In het Roergebied waar ik vandaan kom – en ook in mijn eigen familie – zijn er veel mensen die bij het in elkaar storten van Hitler-Duitsland in de ondergang van het Duitse Oosten verstrikt raakten. In de eindeloze konvoois van vluchtelingen die nog probeerden uit Elbing en Königsberg, uit Preussisch Eylau en Memel vóór het Rode Leger uit via de dichtgevroren Oostzee het Westen te bereiken. Duitsland had de Sovjetunie verwoest en miljoenen mensen gedood, de oorlog duurde al jaren, het Rode Leger was begrijpelijker wijze zeer agressief. 

En zoals heel vaak worden er natuurlijk mensen door getroffen, mensen die daar niet altijd weet van hebben. En ik herinner mij een oude dame in het bejaardenhuis waar ik mijn dienstplicht verrichtte die mij vertelde hoe ze in een voorstad van Königsberg door de Russen was ingehaald. En in een kamp had gezeten – u wilt het allemaal niet weten. En hoewel zij best kon haten antwoordde ze op de vraag waarom ze na al dat tóch had verder geleefd en had geprobeerd het goede te zien:

Ach Jungchen, het is allemaal veel erger geweest dan

je kunt weten. Maar toch wilde ik niet alleen maar als slachtoffer verder door het

leven gaan. Per slot van rekening heb je als mens ook nog een taak en een opdracht. Daar geloof ik in en dat heeft me op de been gehouden. 

Over heilige geestkracht gesproken! 

Niet ergens hoog inde lucht, maar in de harten van mensen.

Uit onze Schriftlezingen met Pinksteren komt ook sterk naar voren, dat die innerlijke kracht in ons geen eigen fabrikaat is, geen eigen bezit, maar dat die ons gegeven wordt. In het evangelie zegt Jezus vaker dat we de Geest niet grijpen, maar ontvangen.

Datgene waar we het in ons leven uiteindelijk van hebben moeten: een beetje levensmoed, iets van vertrouwen en van bezieling, kracht om het aan te kunnen

en overeind te blijven, dat heb je niet zomaar op zak. Dat kun je niet maken of kopen. Daar is ook geen cursus voor. Dat wordt ons gegeven. Niet voor niets spreekt onze traditie over de gaven van de heilige Geest.

Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat je het zomaar even cadeau krijgt. Zo simpel is

het niet. 

Maar toch voelen we allemaal aan, dat je niet altijd kunt zeggen: Dat is mijn

eigen prestatie

En ook niet: Daar heb ik recht op. 

Nee. Kracht om trouw te blijven aan het beste in jezelf, om het uit te houden, dat is iets van een andere orde. En juist omdat we weten dat we dat niet zelf maken, daarom is het niet naïef en niet uit de tijd om te bidden: kom heilige Geest. Bevrijd me van mijn angst, ontdoe mij van mijn onechtheid of van mijn kramp. En maak mij open.

Onze Pinksterliturgie kent het eeuwenoude gezang: 

Veni Sancte Spiritus

Met daarin de bekende woorden:

Maak weer buigzaam wat verstard is

Maak weer warm wat verkild raakte

Geef weer richting aan wat ontspoord is.

Oeroude woorden, die nog steeds niet verouderd zijn.

In ieders leven is erwel ooit ergens iets dichtgeklapt of vast gaan zitten. Iets wat je hebt weggestopt en waar nooit over gepraat wordt. Soms is er iets van verharding binnengeslopen. Dat komt voor. We zijn mensen. Je komt zoiets ook tegen in grotere sociale verbanden. Ook in kerkelijke tradities kan iets ontstaan van verkramping, van geforceerde zekerheid, van verstarring.

Daarom kunnen we niet buiten de heilige Geest, want zonder die Geest blijft alles bij het oude. En blijven we steken in de buitenkant en de oppervlakte. En de kerk verschraalt tot enkel organisatie.

Zonder die heilige Geest worden we allemaal alleen maar telkens een jaartje ouder, en worden we nooit volwassen en groeien we innerlijk niet uit tot die mens die we eigenlijk zouden kunnen en mogen zijn. Als die Geest ons niet vergezelt, zullen we alleen maar van alles en nog wat meemaken – dat gaat vanzelf – maar het nooit leren verwerken. En er dus innerlijk ook niet van groeien.

Kom heilige Geest, want zonder die heilige Spirit wordt alles plat en banaal. 

En verdwijnt datgene uit ons leven wat er nu juist glans aan geeft: verwondering,

eerbied, bewogenheid, warmte en dankbaarheid. En alleen in dat klimaat kan oprechte godsdienstigheid gedijen.

Kom Heilige Geest, 

Geest die vuur en liefde zijt.

Robert Frede, pastoor